Het is donderdag 28 december 2017, zo'n dag tussen kerst en oud en nieuw in. Deze dagen ben je vrij van school of werk, of je werkt maar gaat vroeg naar huis om je onder te dompelen in de gezelligheid van thuis. Gisteren is Rens gestart met de derde chemokuur in het ziekenhuis in Groningen. Hij wordt poliklinisch geholpen en misschien is het wel eens goed om te beschrijven hoe dat gaat. De polikliniek van de afdeling kinderoncologie is gezellig gemaakt. Voor de ingang staat een grote verlichte sneeuwpop naast een slee met een rendier er voor en pakjes. Er staat een grote versierde en verlichte kerstboom. Als ik de glazendeur open loopt Rens vol tegenzin langs mij naar binnen en meldt zich bij de balie: "Rens Reinders is er", zegt Rens en gaat daarna op de paarse bank naast de grote tafel zitten. Het is druk. Naast hem op de bank zit een mevrouw naast een kinderwagentje met daarin ongetwijfeld een slachtoffertje. In een rolstoel zit aan tafel een jongen of een meisje met een muts op. Koud is het er niet maar de mutsen verbergen wat we niet willen zien. Ik schat in hoever in de behandeling de jongens of meisjes zijn aan de hand van de holle ogen met donkere randen, het gewicht of beter het gebrek daaraan, de bleek smoeltjes en vermoeid ogende ouders. Hoe is het mogelijk dat het personeel van de afdeling toch zo opgewekt blijft. Niets dat wij vragen lijkt te veel en het optimisme snijdt door het botte gedrag van ouders of nukkigheid patiëntjes. Ik heb er bewondering voor. De koffie automaat achter in de 'wachtruimte' pruttelt mijn espresso in een bekertje en ik kijk door de ruimte naar de gesloten deuren waarachter de onderzoekkamertjes van de artsen zijn. Rens kijkt niet op of om, hij weet exact wat hem staat te wachten. Hij heeft zijn jas aan is moe van de autorit in de ochtend, hij heeft oordopjes in z'n oren en kijkt naar zijn smartphone. Naast de koffie automaat is de deur naar het prikkamertje. Een verpleegster bestudeert haar lijstje en vraagt of 'Rens' er is, hij mag mee bloedprikken. Gewillig sjokt hij achter de verpleegster aan. In het prikkamertje schud ze onze handen terwijl Rens zijn voorwaarden oplepelt. Eerst wanneer de prikzuster akkoord gaat met zijn voorwaarden gaat de naald naar binnen om het bloed voor controle op te zuigen. De buisjes gaan in een koker en worden weggeschoten naar het laboratorium. We verwachten een positief resultaat wat even later door de dokter wordt bevestigd. Als we het prikkamertje uit wandelen merk ik dat de wachtruimte iets leger is dan toen we binnen kwamen. Achter één van de deuren zwelt het geluid van een verdrietig kindje aan tot een huilen en een in paniek roepen om moeder, daarna neemt het weer af tot gesnotter.
De artsen kennen de patiëntjes, andersom ook trouwens. Rens' eigen arts loopt vaak snel achter hem langs en tikt hem dan even aan waarbij hij zegt: "Kom maar". Vandaag is er een andere dokter, ook een fijn mens. Bij de deur van het onderzoekskamertje schudden we haar hand. In de computer wordt in Rens' dossier naar de recente bloedwaarden gekeken. De hoeveelheid rode en witte bloedcellen en de bloedplaatjes moeten een bepaalde minimum waarde hebben om de kuur te mogen geven. De waarden zijn goed genoeg. Rens wordt gewogen en ook dat is goed. Zijn longen worden beluisterd en zijn buik beklopt, zijn klieren worden gevoeld en dan mag hij ook nog vertellen hoe het met zijn ontlasting gaat. Dat is een gênant onderwerp om over te parten als je dertien jaar oud bent. Vervolgens wordt de oneindige lijst medicatie doorgenomen en recepten voor de komende periode uitgeschreven. Dan moet de VAP (veneuze toegangspoort) worden aangesloten. Een VAP is een klein, metalen kastje (reservoir). Het is iets groter dan een 2-euromunt en 1,5 cm dik. Het kastje plaatsen we vlak onder de huid, bij Rens net onder het sleutelbeen. Bovenop de VAP zit een dun slangetje (lijn) dat uitkomt in een groot bloedvat. Bovenop zit een dun, soepel rubbertje. Hierin wordt een naald geprikt, de naald gaat door de huid. Aan het begin van ieder behandeling wordt een naald door de huid geprikt en blijft gedurende de behandeling zitten. Het is daarom dat Rens soms niet kan schaatsen tot zijn spijt. Schaatsen met een naald in je borstkas vind de arts niet goed en dat vinden zelfs wij geen goed idee. Na de behandeling moet de naald weer worden verwijderd. Zeer onplezierig allemaal maar Rens klaagt niet of nauwelijks. Op de plaats van de VAP zie je aan de buitenkant een bobbel met daarboven een klein litteken. Nadat de lijn is aangesloten kan de kuur starten. Rens kan niet wachten. Dat klinkt cynisch maar zo is dat niet bedoeld. Want al deze kinderen willen maar één ding zo snel mogelijk door de glazendeur weer naar buiten, weg van de wereld van cytostatica.
De chemo wordt in een kamertje verderop gegeven. In het kamertje staan drie bedden in het ene bed links van de kamer ligt een klein hoopje mens en aan de andere kant van de kamer ligt een tiener op het bed met voor zijn ogen een iPhone en een slangetje dat over de boord van zijn t-shirt hangt. In het midden staat een leeg bed, bedoeld voor Rens. Hij gaat niet in het bed liggen maar neemt plaats op de stoel naast het bed. Tussen het bed en de stoel staat een paal op wieltjes, daaraan hangen twee kastjes met lichtgevende cijfers en een grote zak met kleurloze vloeistof. De verpleegster komt samen met ons het kamertje binnen en wikkelt de handelingen routinematig af. De behandeling duurt ongeveer twee uurtjes. Eerst een tablet (Temozolomide) en een uurtje spoelen. Intussen Ement, Zofran en Dexametason tegen de misselijkheid en daarna een vloeistof (Irinotecan) dat via de VAP wordt toegediend. Bij ieder behandeling moet de lijn worden doorgespoeld, een ware beproeving. De vloeistof dat wordt gebruikt om de lijn schoon te spoelen heeft kennelijk een vieze bijsmaak, Rens gruwelt er van.
De Irinotecan druppelt naar binnen en langzaam verdwijnt de zuinige glimlach van Rens's gezicht. Aan zijn gezicht is af te lezen hoe hij zich voelt. De reis naar Groningen, de onderzoeken, gesprekken, continue alert op alles om je heen, Rens scant het allemaal (is het hetzelfde als anders, zijn er andere artsen, verpleegsters, patiënten, etc.). Hij is moe en voelt zich ellendig door de cytostatica. Hij staart naar zijn telefoontje met oortjes in, even afleiding. Het wordt steeds moeilijker zijn gedachten te lezen.
Na de behandeling wordt de lijn schoongespoeld en de naald verwijderd. We nemen afscheid van de kleine meid in het bed links van ons en de tiener in het andere bed. Zij moeten nog een paar uur blijven. In de dagen die volgen, mag de behandeling in Almelo worden voortgezet. Dat bespaart veel reistijd en geregel. De behandeling duurt tot en met oudjaarsdag. Hoewel Rens iedere dag een beetje minder wordt is hij vrolijk als de naald voor de laatste eer verwijderd wordt. Zijn gedachten gaan uit naar de nacht, vuurwerk! Nog 7 behandelingen te gaan.